Anterior Cruciate Ligament. Band in de knie die rotatiestabiliteit biedt.
Nederlandse afkorting; internationaal PCL genoemd.
Afsterven van botweefsel door onvoldoende bloedtoevoer.
BSG
Bovenste spronggewricht
Het eigenlijke enkelgewricht.
CRPS
Complex regionaal pijnsyndroom
Chronische pijnaandoening die kan ontstaan na letsel of operatie, ook wel posttraumatische dystrofie.
CTS
Carpaletunnelsyndroom
Beknelling van een zenuw in de pols met tintelingen in de hand.
DIP
Distaal interfalangeaal gewricht
Buitenste vingergewricht, bij de nagel.
DVT
Diepe veneuze trombose
Bloedstolsel in een diepe ader, veelal in het been. Risico op longembolie.
FAI
Femoroacetabulair impingement
Inklemming in het heupgewricht door botafwijking van kop of kom.
Botbreuk. In verslagen ook genoteerd als #.
HNP
Hernia nuclei pulposi
Rughernia: uitstulping van de tussenwervelschijf die op een zenuw drukt.
MCL
Mediale collaterale band
Ligament aan de binnenzijde van de knie.
MCP
Metacarpofalangeaal gewricht
Knokkelgewricht tussen middenhandsbeen en vingerkoot.
Osteoartritis. Slijtage van het kraakbeen in gewrichten, met pijn en bewegingsbeperking.
OSG
Onderste spronggewricht
Gewricht onder de enkel, tussen sprongbeen en hielbeen.
Posterior Cruciate Ligament. Band in de knie die achterwaartse beweging van het scheenbeen beperkt.
PIP
Proximaal interfalangeaal gewricht
Middelste vingergewricht.
Behandeling waarbij eigen bloedplaatjes worden ingespoten om genezing te bevorderen.
Chronische auto-immuunziekte die gewrichten aantast.
Range of Motion. De mate van bewegingsvrijheid van een gewricht, uitgedrukt in graden.
RSI
Repetitive strain injury
Klachten aan arm, nek of schouder door herhaalde bewegingen; tegenwoordig KANS genoemd.
TENS
Transcutane elektrische zenuwstimulatie
Pijnbestrijding via zwakke elektrische stroompjes via de huid.
Nederlandse afkorting; internationaal ACL genoemd.
WAD
Whiplash-associated disorder
Nekklachten na een acceleratie-deceleratietrauma, meestal een kop-staartbotsing.