American Society of Anesthesiologists risicoclassificatie. Schaal I-VI voor het peroperatieve risico van een patiënt.
Meting van de hersenactiviteit om de diepte van de narcose te bewaken (schaal 0-100).
CABG
Coronaire bypassoperatie
Operatie waarbij nieuwe bloedvaten worden aangelegd om verstopte kransslagaderen te omzeilen.
CAM-ICU
Confusion Assessment Method for the ICU
Meetinstrument om een delier bij intensive care-patiënten vast te stellen.
CVC
Centraal veneuze catheter
Infuus in een grote ader bij hals, borst of lies, voor medicatie en drukmeting.
Verdoving via een katheter in de epidurale ruimte van de wervelkolom.
ERAS
Enhanced Recovery After Surgery
Zorgprogramma gericht op sneller herstel na een operatie, met o.a. vroeg eten en mobiliseren.
etCO2
Eindexpiratoir koolzuurgehalte
Gemeten CO2 aan het einde van de uitademing (capnografie); controleert beademing en circulatie.
Beademingsbuis die via de mond in de luchtpijp wordt geplaatst.
General Anaesthesia. Narcose waarbij de patiënt volledig bewusteloos is.
Plaatselijke verdoving van een klein gebied, waarbij de patiënt wakker blijft.
Luchtwegmasker dat in de keel wordt geplaatst voor beademing tijdens narcose.
MAC
Minimale alveolaire concentratie
Maat voor de potentie van inhalatieanesthetica. De concentratie waarbij 50% van de patiënten geen reactie toont op chirurgische stimulus.
NIBP
Niet-invasieve bloeddrukmeting
Bloeddrukmeting via een manchet om de arm, zonder slagaderlijke katheter.
NMB
Neuromusculaire blokkade
Tijdelijke spierverslapping met medicatie, nodig voor beademing en operaties.
Nil Per Os. Verbod op eten en drinken voor een operatie of ingreep.
Pijnscore waarbij de patiënt een cijfer van 0 tot 10 geeft (numeric rating scale).
PACU
Post anesthesia care unit
Verkoeverkamer: afdeling waar de patiënt direct na de operatie bewaakt bijkomt uit de narcose.
PCA
Patiëntgecontroleerde pijnstilling
Pijnpomp waarmee de patiënt zelf een veilige dosis pijnstilling kan toedienen (patient controlled analgesia).
PCEA
Patiëntgecontroleerde epidurale pijnstilling
Zelf te bedienen pijnpomp via een epidurale katheter.
Dun slangetje in de epidurale ruimte voor langdurige pijnstilling, o.a. bij bevallingen en buikoperaties.
PDPH
Postdurale punctiehoofdpijn
Hoofdpijn die kan ontstaan na een ruggenprik, verergerend bij rechtop zitten of staan.
PONV
Postoperatieve misselijkheid en braken
Veelvoorkomende bijwerking na narcose (postoperative nausea and vomiting).
POS
Preoperatieve screening
Spreekuur waarin de anesthesioloog vooraf de conditie en risico's van de patiënt beoordeelt.
RASS
Richmond Agitation-Sedation Scale
Schaal van -5 (niet wekbaar) tot +4 (strijdlustig) om de mate van sedatie te scoren.
Ruggenprik waarbij verdoving in de ruggenmergholte wordt gespoten voor operaties aan onderlichaam of benen.
SSI
Postoperatieve wondinfectie
Infectie van het operatiegebied (surgical site infection).
TAP
Transversus abdominis plane-blok
Zenuwblokkade van de buikwand voor pijnstilling na buikoperaties.
TCI
Target controlled infusion
Computergestuurde toediening van narcosemiddelen op een vooraf ingestelde bloedspiegel.
TIVA
Totale intraveneuze anesthesie
Narcose die volledig met medicijnen via het infuus wordt gegeven, zonder narcosegassen.
Zenuwstimulatietest die meet hoever de spierverslapping is uitgewerkt.
VAS
Visueel analoge schaal
Pijnscore waarbij de patiënt de pijn aangeeft op een lijn van 0 (geen pijn) tot 10 (ergst denkbare pijn).