Home Specialismen Afkorting voorstellen
← Specialismen

Hart- en longziekten

204 afkortingen

Verklarende woordenlijst omtrent Hart- en long ziekten
hart- en longziekten 169 Longziekten 35

hart- en longziekten

4F Tetralogie van Fallot
Aangeboren hartafwijking.
6 MWT 6 minutes walk test
6 minuten loop test. Afstand die patiënten in 6
minuten wandelen maximaal kunnen afleggen. De afstand is sterk gerelateerd
aan ernst en prognose van hartfalen en/of pulmonale hypertensie (verhoogde
bloeddruk in de longslagader). De normaalwaarde voor een gezonde oudere
patiënt is ongeveer 650 meter.
AAI/AAIR Nomenclatuur voor het type en/of de instelling van een pace- maker
Bij een pacemaker met instelling AAI of AAIR vindt pacing en sensing alleen in de rechter boezem plaats.
ABG Arteriële bloedgassen
Meting van zuurstof en koolzuurgasconcentratie uit slagaderlijk bloed.
ACC American College of Cardiology
ACS Acuut coronair syndroom.
Ziektebeeld dat zowel het acute myocardin- farct met en zonder ST elevatie, als instabiele angina pectoris (IAP) omvat.
AF Atriumfibrilleren
AFL Atriumflutter
AHA American Heart Association
AMI Acuut myocardinfarct
ANP Atriaal natriuretisch peptide
Hormoon uit de hartboezems dat de vocht- en zoutbalans regelt.
Ao Aorta
AoI Aortainsufficiëntie
AoS Aortaklepstenose
AP Angina pectoris
ARB Angiotensine receptor blocker (Angiontensine II antagonist)
ARVC Arythmogene rechterventrikel cardiomyopathie (zie ARVD)
ARVD Arythmogene rechterventrikel dysplasie (ook wel ARVC).
Aandoening van in eerste instantie voornamelijk de rechterkamer van het hart waarbij
vervetting en aneurysmavorming optreedt. Gaat gepaard met plotse dood en
ventriculaire tachycardie. Bij patiënten met ARVD wordt veelal gekozen voor
implantatie van een ICD.
ASD Atrium septum defect
ATP Anti-tachy pacing.
Functie van een ICD of pacemaker waarbij door korte
pulsjes in de rechter kamer of boezem een ventriculaire of atriale tachycardie kan
worden beëindigd. Bij een ventriculaire tachycardie (VT) kan het circuit van de VT op deze wijze door de ICD onderbroken worden. Een ICD wordt meestal dusdanig geprogrammeerd dat bij een hemodynamisch stabiele VT er een programma
van verschillende vormen ATP wordt afgegeven. Het voordeel is dat de patiënt
hier meestal niets van voelt en de VT meestal succesvol wordt beëindigd. Er hoeft
dan geen shock te worden afgegeven. Pacemakers beschikken soms over de
mogelijkheid van atriale ATP. Dit kan behulpzaam zijn bij het beëindigen van
een atriale tachycardie of atriumflutter
AVNRT Atrio-ventriculaire Nodale Reentry tachycardie.
Dit is een supraventriculaire tachycardie welke ontstaat in de AV knoop. Bij patiënten met een AVNRT bestaat de AV knoop uit een langzaam en een snel pad. Hierdoor kan na een
extrasystole, in de AV knoop zelf een cirkel (reentry) tachycardie ontstaan. De
tachycardie termineert vaak spontaan of na valsalva manoeuvre. Een AVNRT kan
worden onderdrukt door medicatie die de AV geleiding vertraagt, zoals verapamil of een bètablokker. Eventueel kan gekozen worden voor een ablatie van het
langzame pad.
AVP Aorta valvuloplasty.
Aortaklepplastiek. Reparatie van de aorta-klep.
AVR Aortic valve replacement.
Aortaklepvervanging door een bioprothese of mechanische prothese.
AVRT Atrio-ventriculaire reentry-tachycardie.
Ook wel macro reentry-tachycardie. Vanwege een extra elektrische verbinding tussen atrium en ventrikel kan
er een reentry circuit ontstaan tussen atria, AV knoop, ventrikels en de aberrante
verbinding. Een dergelijke tachycardie kan orthodroom zijn (retrograde geleiding over de extra verbinding, antegrade AV geleiding) of antidroom (antegrade geleiding over de extra verbinding, retrograde AV geleiding). Een voorbeeld
van een AVRT is het WPW syndroom (zie daar). De extra verbinding is dan tijdens SR als pre-excitatie (deltagolf) zichtbaar op het oppervlakte ECG. De extra
verbinding kan soms ook alleen retrograad geleiden. Op het ECG tijdens SR is
de verbinding dan niet zichtbaar, want er is geen pre-excitatie. We spreken dan
van een concealed bypass.
AVSD Atrio-ventriculair septum defect.
Congenitale aandoening waarbij er
sprake is van een onvolledige ontwikkeling van de overgang van het atriumseptum, het ventrikelseptum en de daar aan grenzende mitralisklep en tricuspidalisklep.
Biv-ICD Bi-ventriculaire ICD.
Device dat een implantable cardiac defibrillator
(ICD) combineert met een cardiale resynchronisatie therapie (CRT). Bij patiënten
met een Biv-ICD zijn in totaal 3 draden geplaatst. Eén in het rechter atrium. Eén
in de rechter ventrikel en één in de sinus coronarius (LV lead).
BIVAD Bi-ventriculair assist device.
BMI Body Mass Index
BMS Bare metal stent
BNP Brain natriuretic peptide
Hormoon dat bij hartfalen verhoogd is; wordt in het bloed gemeten om hartfalen aan te tonen.
CABG Coronary artery bypass chirurgie
CAD Coronarialijden
Vernauwing van de kransslagaders door aderverkalking; Engels: coronary artery disease.
CAG Coronairangiografie
Röntgenonderzoek van de kransslagaders via een katheter; ook wel hartkatheterisatie.
CARTO 3-dimensionaal electro-anatomisch mapping systeem.
Combineert
anatomische informative van MSCT of MRI met elektrofysiologische gegevens
tijdens een ablatie.
CCS classificatie Canadian Cardiovascular Society
Classificatie van de ernst van angina pectoris klachten volgens de Canadian Cardiovascular Society. CCS I: geen beperkingen in dagelijks functioneren. AP klachten pas bij forse inspanningen/ werk of sport. CCS II:
lichte beperking van normale activiteiten. AP klachten bij bijvoorbeeld 2 trappen lopen. CCS III: Duidelijke beperking dagelijkse inspanningen (AP klachten
bij lopen van een enkele trap in normaal tempo). CCS klasse IV: AP klachten bij
minimale inspanningen.
CCU Coronary Care Unit; Hartbewaking
CEH Centrum Eerste Hulp
CI Cardiac Index.
(zie cardiac output CO)
CMP Cardiomyopathie
CO Cardiac output.
Hartminuutvolume (in lit/min). Geïndexeerd naar lengte en gewicht spreekt men van Cardiac Index (CI).
CPAP Continuous positive airway pressure
Niet-invasieve beademingsondersteuning door middel van een afsluitend masker over neus en mond van
patiënt. Door middel van continue verhoogde druk in de luchtwegen verbetert
niet alleen de longcapaciteit, maar vermindert ook de afterload. Het wordt op
de hartbewaking gebruikt bij patiënten met acuut hartfalen
CPET Cardiopulmonary exercise testing
(fietsergometrie). Fietstest waarbij
niet alleen registratie van het hartritme als ook het ECG, maar ook de inspanningstolerantie en de maximale zuurstofopname wordt gemeten.
CRT Cardiale resynchronisatie therapie.
Ook wel biventriculair pacing genoemd, waarbij een lead in de rechterventrikel ligt en een lead in de sinus coronarius ter hoogte van de linker ventrikel. Vaak in combinatie met een ICD
(CRT-ICD of Biventriculaire ICD).
Cryo-ablatie
Elektrofysiologische ablatie procedure waarbij gebruik wordt gemaakt van lokale bevriezing. De elektrodetip wordt hierbij gekoeld tot ongeveer -70 °C.
CVD Centraal veneuze druk
CVRM Cardiovasculair risicomanagement
Het in kaart brengen en behandelen van risicofactoren voor hart- en vaatziekten.
CX Circumflex artery.
Zie Ramus Circumflex (RCx).
D1 t/m D4 Diagonaal takken.
Aftakkingen van de ramus descendens anterior van de linker kransslagader welke het anterolaterale gedeelte van de linker venDtrikel van bloed voorzien.
DDD/DDI(R) Nomenclatuur voor het type instelling van een pacemaker.
Bij
een DDD pacemaker wordt zowel in de rechter boezem als de rechter kamer
gesensed en gepaced. Dit wordt toegepast bij hartfalen waarbij er een dyssynchronie is van de linker ventrikel.
DES Drug eluting stent
ECG Elektrocardiogram
Registratie van de elektrische activiteit van het hart (hartfilmpje).
ECV Elektrische cardioversie
EDV Eind diastolisch volume
EFO Elektrofysiologisch onderzoek.
Klinisch onderzoek dat wordt verricht ter
evaluatie van AV geleidingsstoornissen en/of ventriculaire en supraventriculaire
hartritmestoornissen.
EOL End of life.
De batterij van de pacemaker is bijna leeg en deze dient op
korte termijn vervangen te worden.
EPD Elektronisch patiënten dossier
ERS European Respiratory Society.
Europese longartsenvereniging.
ESC European Society of Cardiology
FFR Fractionele flow reserve
Tijdens coronairangiografie kan met de hulp van intracoronaire drukmetingen, de hemodynamische significantie van een stenose worden bepaald.
FH Familiaire hypercholesterolemie
Erfelijk sterk verhoogd cholesterol met vroege kans op hart- en vaatziekten.
FRIMA Free RIMA.
Zie RIMA.
FVT Fast VT of snelle ventriculaire tachycardie.
Als een ICD dit registreert
wordt vaak overgegaan tot therapie met behulp van overpacing (ATP) of een
elektrische shock.
GPIIb3A receptor antagonist Glycoproteïne II3a receptor antagonist.
Intraveneus medicament dat zorgt voor directe thrombocyten aggregatie
remming via blokkering van de GpIIb3A receptor. Deze medicatie (zoals
Abciximab (Reopro®) is bewezen effectief gebleken bij de behandeling van een
ST elevatie acuut myocardinfarct met stentplaatsing en wordt daarom vaak (naast
aspirine en clopidogrel) in de ambulance al toegediend bij verdenking op een
myocardinfarct.
HCM Hypertrofische cardiomyopathie
HFmrEF Hartfalen met licht verminderde ejectiefractie
Tussenvorm van hartfalen met een ejectiefractie van 41-49%.
HFpEF Hartfalen met behouden ejectiefractie
Hartfalen waarbij de knijpkracht normaal is, maar het hart stijf is en zich slecht vult.
HFrEF Hartfalen met verminderde ejectiefractie
Hartfalen waarbij de knijpkracht van de linkerkamer duidelijk verlaagd is (ejectiefractie <=40%).
HOCM Hypertrofische obstructieve cardiomyopathie
HVZ Hart- en vaatziekten
Verzamelnaam voor aandoeningen van hart en bloedvaten, zoals infarct, beroerte en vaatlijden.
IABP Intra aortale ballonpomp
Tijdelijke mechanische ondersteuning van de
hemodynamiek door diastolische counterpulsatie van een ballon in de aorta
descendens. Hierdoor verbetert de perfusie van de coronairen en vermindert de
afterload. Er bestaat een indicatie bij patiënten met een (dreigende) cardiogene
shock op basis van instabiele angina pectoris, na een myocardinfarct of na een
interventieprocedure waarbij er sprake is van ernstig hartfalen of acute mitralisklepinsufficiëntie. Een IABP kan percutaan, via de a. femoralis worden ingebracht
en enkele dagen worden gebruikt.
IAP Instabiele angina pectoris
1. Angina pectoris (AP) in rust. 2. AP de novo.
3. Progressieve AP, AP die optreedt bij minder inspanning dan voorheen en al
optreedt bij geringe dagelijkse activiteiten. 4. AP die optreedt binnen 2 weken
na een myocardinfarct of percutane interventie.
IAS Inter atriaal septum
ICD Implantable Cardiac Defibrillator
ICU Intensive Care Unit
IPL-infarct Infero-postero-lateraal infarct
Meestal een infarct ten gevolge van
afsluiting van de rechter coronairarterie of ramus circumflex.
IVC Vena cava inferior
De onderste holle ader, die bloed uit het onderlichaam naar het hart voert.
IVGS Intraventriculaire geleidingsstoornis.
Verbreed QRS complex, door aspecifieke ventriculaire geleidingsvertraging, niet volgens typisch rechter bundeltak blok of linker bundeltak blok.
IVUS Intravascular Ultrasound
Een interventie waar met behulp van echografie de vaatwand van de arterie zichtbaar gemaakt wordt. Hiermee kan beoordeeld worden of er sprake is van atherosclerotische plaques, thrombusvorming,
destructie van de vaatwand of juiste stent plaatsing.
LA Linker atrium
LAA Left atrial appendage. Linker hartoor
LAD Left anterior descending coronary artery
LAFB/LAHB Links anterior hemiblok
Uitval van de anterior fascikel van de linker bundeltak.
LBBB/LBTB Linker bundeltak blok
Volledige uitval van de linker bundeltak.
LCA Linker coronair arterie
Ontspringt uit de linker coronaire cusp (LCC) en
splitst zich normaalgesproken in de ramus descendens anterior (RDA/LAD) en
de circumflex arterie.
LCC Linker coronary cusp
LIMA Left internal mammarian artery
Grote tak van de a. subclavia links. Zie
RIMA. Bij bypass chirurgie worden de kleine aftakkingen geklipt en wordt de
LIMA in situ gelaten waarbij deze distaal op de ramus descendens anterior en/
of op meerdere diagonaal takken wordt gezet.
LPFB/LPHB Links posterior hemiblok
Uitval van de posterior fascikel van de linker bundeltak.
LV Linker ventrikel
LVAD Left ventricular assist device.
Mechanische ondersteuning van de hemodynamiek door middel van een pomp die tijdens een operatie in het hart
wordt geplaatst. LVAD’s kunnen gebruikt worden tot overstijging naar een harttransplantatie, maar worden tegenwoordig ook bij eindstadium hartfalen gebruikt waarbij een transplantatie niet meer mogelijk is.
LVEDD Linker ventrikel eind diastolische diameter
LVEDP Linker ventrikel eind diastolische druk
LVEF Linker ventrikel ejectiefractie
Een normale LVEF bedraagt ca. 60%.
LVESD Linker ventrikel eind systolische diameter
LVH Linker ventrikel hypertrofie
LVOT Linker ventrikel outflowtract
MAP Mean arterial pressure
Gemiddelde bloeddruk. (2x diastole + 1x systole)/3.
MAZE ablatie
Geen afkorting. Tegenwoordig staat het voor een circumferentiële pulmonaalvene isolatie. Hierbij wordt een ablatie verricht rondom de inmonding van de longvenen van het linker atrium. De behandeling van atriumfibrilleren bestond vroeger uit het insnijden van een rasterpatroon in het atrium, ‘maze’ (in het Engels betekent MAZE doolhof). De behandeling is veranderd maar de naam wordt nog gebruikt.
MI Mitralisklepinsufficiëntie
MO 1 t/m 3 Margo obtusis
Takken van de ramus circumflexus van de linker
coronair arterie. Voorzien in de perfusie van het laterale gedeelte van het linker
ventrikel.
MS Mitralisklepstenose
MSCT Multislice CT
MVP Mitralisklep plastiek
Reparatie van een mitralisklep bij mitralisklepinsufficiëntie of stenose. Bij dilatatie van de annulus wordt vaak een ring geplaatst.
MVR Mitralisklep vervanging (replacement)
Vervanging van de mitralisklep door een bioprothese of kunstklep.
Non STEMI Myocardinfarct zonder ST elevatie
op het ECG.
NSVT Non-sustained ventrikel tachycardie
Ventriculaire tachycardie die korter duurt dan 30 seconden en waarbij er geen sprake is van hemodynamische instabiliteit.
NYHA classificatie New York Heart Association
Classificatie die de ernst van
de klachten voor patiënten met hartfalen beschrijft. NYHA I: geen klachten.
NYHA II: klachten tijdens forse inspanning. NYHA III: klachten tijdens matige
inspanning. NYHA IV: klachten in rust of bij lichte inspanning.
OHCA Out of hospital cardiac arrest
OHS Obesitas-hypoventilatiesyndroom
Onvoldoende ademhaling door ernstig overgewicht, met te veel CO2 in het bloed.
PAC Prematuur atriaal complex
Ook wel supraventriculaire extrasystole (SVES).
PAF Paroxysmaal atriumfibrilleren
PAH Pulmonale arteriële hypertensie
Verhoogde bloeddruk in de longslagaders, wat het hart extra belast.
PAP Pulmonary artery pressure
Druk gemeten in de arteria pulmonalis.
PAV Perifeer arterieel vaatlijden
Vernauwing van de slagaders in vooral de benen; veroorzaakt etalagebenen (claudicatio).
PCI Percutane coronaire interventie
PCWP Pulmonary capillary wedge pressure
Wiggedruk. De wiggedruk komt overeen met de druk in de linker boezem.
PE Pericardeffusie
PFO Patent foramen ovale
Bij 25% van de mensen sluit het foramen ovale niet of niet volledig na de geboorte. Bij valsalva manoevres ontstaat dan een shunt van rechts naar links.
PI Pulmonalisklepinsufficiëntie
PL-tak Posterolaterale tak.
Tak van de rechter coronair arterie of circumflex: PL(cx) of PL(rca).
PLcx Posterolaterale tak van de ramus circumflex.
Voorziet in de perfusie van het posterolaterale gedeelte van de linker ventrikel.
PM Pacemaker
PMT Pacemaker Mediated Tachycardie.
Tachycardie die door de pacemaker zelf wordt veroorzaakt en soms in stand wordt gehouden. Door aanpassing van de instellingen van de pacemaker kan het ontstaan van een PMT worden voorkomen.
POTS Posturaal orthostatisch tachycardiesyndroom
Sterke hartslagversnelling bij het rechtop gaan staan, met duizeligheid en klachten.
PS Pulmonalisklepstenose
PTCA Percutane transluminale angioplastiek.
Dotterprocedure met of zonder stent plaatsing.
PTS Posttrombotisch syndroom
Blijvende klachten (zwelling, pijn, huidveranderingen) na een diepveneuze trombose.
PVC Prematuur ventriculair complex.
Ook wel Ventriculaire extrasystole (VES).
PVR Pulmonic valve replacement.
Pulmonalisklepvervanging.
RA Rechter atrium
RAAS Renine-angiotensine-aldosteronsysteem
Hormoonsysteem dat bloeddruk en vochtbalans regelt; aangrijpingspunt van veel bloeddrukmedicatie.
RBBB/RBTB Rechter bundeltak blok.
Volledige uitval van de rechter bundeltak.
RCA Rechter coronair arterie.
Ontspringt uit de rechter coronaire cusp (RCC) en verloopt in de rechter atrioventriculaire groeve. Voorziet voornamelijk in perfusie van de rechter ventrikel en onderwand. Vaak splitst de RCA in een posterolaterale tak (PL-tak) en de ramus descendens posterior (RDP). De RCA geeft vaak proximaal een tak af richting de sinusknoop.
RCC Right coronary cusp
RCx Ramus Circumflex, ook wel kortweg Cx.
Afsplitsing direct na de hoofdstam van de linker coronair arterie. Voorziet in perfusie van posterieure en posterolaterale zijde van de linkerventrikel. De Cx verloopt in de linker atrioventriculaire groeve en geeft een aantal aftakkingen. De Margo Obtusis (MO) en posterolateraal (PL) takken.
RDA: Ramus descendens anterior.
Ook wel LAD (left anterior descending artery). De grootste tak van de linker coronair arterie. Deze verloopt in de voorste
interventriculaire groeve en is verantwoordelijk voor de perfusie van het septum
en de voorwand en anterolaterale zijde van het hart. Vanaf de RDA zijn er vertakkingen naar anterolateraal (Diagonale takken, D1, D2, D3 etc) en naar het
septum (S1, S2, S3 etc). Vaak verloopt de RDA tot over de apex van het hart.
RDP Ramus descendens posterior.
Aftakking van de rechter coronair arterie of
circumflex en verzorgt de doorbloeding van het septum. Indien de RCA de RDP
afgeeft is er sprake van een rechts dominant systeem. Indien de RCX de RDP
afgeeft is er sprake van een links dominant systeem.
RF-ablatie Radiofrequentie-ablatie.
Een ablatie procedure waarbij gebruik wordt gemaakt van hoogfrequente radiogolven. De elektrodetip bereikt een temperatuur van ongeveer 50 °C.
RIMA Right internal mammarian artery.
Grote tak van de a. subclavia rechts
die parasternaal loopt door de binnenzijde van de thoraxwand. De RIMA wordt
als dit mogelijk is als directe bypass gebruikt voor stenosen in de rechter coronairarterie. Indien dit vanwege de lengte of kwaliteit niet mogelijk is wordt de
RIMA los geknipt van de a. subclavia en als vrije bypass gebruikt. Dit noemt men
een Free RIMA (FRIMA).
RV Rechter ventrikel
RVAD Right ventriculair assist device
RVH Rechter ventrikel hypertrofie
RVOT Rechter ventrikel outflowtract
S-L delay Septum to lateral delay
Echografische parameter om de dyssynchronie van de linker ventrikel te meten. Het betreft hier de tijd tussen de contractie van de septale en laterale wand. Bij een delay van meer dan 65 ms wordt gesproken over dyssynchronie.
SAM Systolic anterior movement van de mitralisklep
Bij hypertrofische (obstructieve) cardiomyopathie, of bij ziekten van de mitralisklep kan het voorste klepblad van de mitralisklep te veel naar het septum toe bewegen/ worden
gezogen. Hierdoor ontstaat (verdere) obstructie van het linker ventrikel outflowtract en mitralisklepinsufficiëntie.
SAS Slaapapneusyndroom
Herhaalde ademstops tijdens de slaap, met snurken, vermoeidheid en hart- en vaatrisico.
SBE Systemische bacteriële endocarditis
bijvoorbeeld in SBE-profylaxe.
SEH Spoedeisende hulp
Shuntmeting
Meting waarbij gedurende 30 minuten met 100% zuurstof wordt geademd. Met dit onderzoek kan bepaald worden of er sprake is van een “niet-normale verbinding” tussen twee delen van het lichaam.
SR Sinusritme
STEMI ST elevatie myocardinfarct.
In principe is een ST elevatie myocardinfarct een indicatie voor spoed interventie.
SVES Suptraventriculaire extrasystole
Ook wel prematuur atriaal complex (PAC).
SVG Saphenous vein graft
Veneuze bypass graft van de vena saphena magna
TAVI Transcatheter aortaklepimplantatie
Vervanging van de aortaklep via een katheter, zonder openhartoperatie.
TEE Transoesophageale echocardiografie.
Slokdarm echo. Deze wordt voornamelijk verricht ter evaluatie van klepafwijkingen, atrium septumdefect, overige congenitale hartziekten, bij verdenking op endocarditis en analyse naar eventuele cardiale emboliebron.
TI Tricuspidalisklep insufficiëntie
Dit is meestal fysiologisch. Met echocardiografie kan de gradiënt over de tricuspidalisklep worden gemeten. Aan de hand daarvan kan een schatting worden gemaakt van druk in het longvaatbed.
TTE Transthoracale echocardiografie
TVP Tricuspidalis klep plastiek
Reparatie van een tricuspidalisklep bij ernstige tricuspidalisklepinsufficiëntie. Bij dilatatie van de annulus wordt vaak een ring geplaatst.
TVR Tricuspidalisklep vervanging (replacement)
Reparatie van de tricuspidalisklep bij tricuspidalisklepinsufficiëntie.
VCI Vena cava inferior
VCS Vena cava superior
VES Ventriculaire extrasystole.
Ook wel prematuur ventriculair complex (PVC)
VF Ventrikelfibrilleren
VO2 Max Maximale zuurstof opname capaciteit.
Deze waarde wordt berekend bij inspanningstest met registratie van de ventilatie. Het is de meest nauwkeurige objectieve maat voor de ernst van patiënten met hartfalen.
VSD Ventrikel septum defect.
VT Ventrikel tachycardie
VV-optimalisatie Resynchronisatie therapie
Optimalisatie van de tijd tussen pacing van de linkerkamer en de rechterkamerdraad (de VV-tijd), waarbij het slagvolume van de linkerkamer, gemeten met echocardiografie het hoogst is.
VVI/VVIR Nomenclatuur voor het type en/of de instelling van een pacemaker
Bij een pacemaker met instelling VVI of VVIR wordt alleen in de rechter kamer gepaced en gesensed.
WPW Wolff-Parkinson-White-syndroom
Aangeboren extra elektrische verbinding in het hart die aanvallen van snelle hartslag geeft.
WPW-syndroom Wolff-Parkinson-White syndroom.
Syndroom waarbij er sprake is van een afwijkend ECG met een delta-golf voorafgaand aan het QRS complex (i.e. pre-exciatie). De palpitatieklachten worden veroorzaakt door een macro-reentry-circuit waarbij een extra verbinding tussen atrium en ventrikel is betrokken. Zie ook AVRT.

Longziekten

ARDS Acute respiratory distress syndrome
Acuut longfalen waarbij de longen ernstig ontstoken raken en vocht vasthouden; vaak beademing nodig.
BAL Broncho-alveolaire lavage
Longspoeling tijdens bronchoscopie om cellen en ziekteverwekkers te onderzoeken.
BLWI Bovenste luchtweginfectie
Infectie van neus, keel of bijholten, meestal viraal.
BS Bronchoscopie
Kijkonderzoek van de luchtwegen met een flexibele slang.
CAP Community-acquired pneumonia
Longontsteking opgelopen buiten het ziekenhuis.
CARA Chronische aspecifieke respiratoire aandoeningen
Verouderde verzamelnaam voor astma en COPD; nog regelmatig in oudere dossiers te vinden.
COPD Chronic obstructive pulmonary disease
Chronisch obstructieve longziekte: blijvend vernauwde luchtwegen, meestal door roken. Omvat chronische bronchitis en longemfyseem.
DLCO Diffusiecapaciteit voor koolmonoxide
Longfunctietest die meet hoe goed zuurstof vanuit de longen in het bloed komt.
EAA Extrinsieke allergische alveolitis
Longontsteking door allergische reactie op ingeademde stoffen, zoals bij duivenmelkers.
FEV1 Geforceerd expiratoir volume in 1 seconde
Longfunctiewaarde: hoeveel lucht iemand in één seconde kan uitblazen. Verlaagd bij astma en COPD.
FVC Geforceerde vitale capaciteit
Longfunctiewaarde: de totale hoeveelheid lucht die iemand na diepe inademing kan uitblazen.
GOLD Global Initiative for Chronic Obstructive Lung Disease
Internationale indeling van de ernst van COPD (GOLD 1 t/m 4).
HAP Hospital-acquired pneumonia
Longontsteking opgelopen tijdens ziekenhuisopname.
HFNO High-flow nasale zuurstof
Zuurstoftoediening met hoge flow via een neusbril, o.a. bij ernstige luchtweginfecties.
ICS Inhalatiecorticosteroïden
Ontstekingsremmende inhalatiemedicatie bij astma en COPD.
ILD Interstitiële longziekte
Verzamelnaam voor aandoeningen van het longweefsel zelf, met littekenvorming.
IPF Idiopathische pulmonale fibrose
Longfibrose zonder bekende oorzaak: toenemende verlittekening van het longweefsel.
LABA Langwerkende luchtwegverwijder
Long-acting beta-agonist; onderhoudsmedicatie bij astma en COPD.
LAMA Langwerkende anticholinerge luchtwegverwijder
Long-acting muscarinic antagonist, zoals tiotropium; onderhoudsmedicatie bij COPD.
LTOT Langdurige zuurstoftherapie thuis
Onderhoudsbehandeling met zuurstof thuis, meestal bij ernstig COPD.
LTx Longtransplantatie
Transplantatie van één of beide longen.
NIV Niet-invasieve ventilatie
Beademingsondersteuning via een masker, zonder beademingsbuis.
O2 Zuurstof
Zuurstoftoediening, bijv. "2L O2" = 2 liter zuurstof per minuut.
OLWI Onderste luchtweginfectie
Infectie van de lagere luchtwegen, zoals bronchitis of longontsteking.
pCO2 Koolzuurspanning
Hoeveelheid opgelost koolzuurgas in het bloed; verhoogd bij onvoldoende ademhaling.
PEEP Positieve eind-expiratoire druk
Beademingsinstelling die de longblaasjes aan het eind van de uitademing open houdt.
PEF Piekstroom (peak expiratory flow)
Maximale uitademingssnelheid, vaak zelf gemeten door astmapatiënten.
PH Pulmonale hypertensie
Verhoogde bloeddruk in de longslagader.
Pneu Pneumothorax
Klaplong: lucht tussen de longvliezen waardoor de long inklapt.
pO2 Zuurstofspanning
Hoeveelheid opgeloste zuurstof in het (arteriële) bloed, gemeten via bloedgas.
PV Pleuravocht
Vocht tussen de longvliezen (pleuraholte).
SABA Kortwerkende luchtwegverwijder
Short-acting beta-agonist, zoals salbutamol; snelle verlichting bij benauwdheid.
SOB Shortness of breath
Engelse term voor kortademigheid; in NL-dossiers ook als "dyspnoe" genoteerd.
TBC Tuberculose
Besmettelijke bacteriële infectieziekte, meestal van de longen. Ook afgekort als TB.
VAP Ventilator-associated pneumonia
Longontsteking die ontstaat tijdens beademing op de intensive care.